Caleidoscoop

Memoranda

Interview – Titus Simoens

Op This Surrounding Us All kan je mijn interview terugvinden met fotograaf Titus Simoens. Foto’s verzorgd door Karlijne Geudens.

tumblr_inline_o08d0rq0me1rfi0an_540

Fotograaf Titus Simoens (°1985) woont en werkt in Gent, België. Doorheen zijn nog vrij prille carrière, heeft Titus’ focus totnogtoe meestal gelegen op het maken van sterke beelden en het assembleren ervan tot gevoelige series. We spraken met hem over zijn invloeden, zijn manier van leven, zijn werk en de rode draad tussen deze elementen.

Wij kennen Titus vooral van zijn trilogie ‘Blue, See’, ‘Mount Song’, ‘Los Domadores’, die het leven van jongens illustreert die op een erg jonge leeftijd school beginnen lopen in een gedisciplineerde omgeving, met als doel een specifieke stiel te leren. Deze series zijn eerder dit jaar in boekvorm uitgebracht.

Momenteel brengt Titus het meeste van zijn tijd door in Arles (Frankrijk), waar hij een reeks wil maken rond een fabel over “les Arlésiennes”, de mooiste en meest onbereikbare vrouwen van de stad. Net als Vincent Van Gogh leeft hij er op een zolderkamer. Hoewel de periodes waarin hij zich in het land bevindt, schaars zijn en hij zijn handen vol heeft met het bezoeken van vrienden en familie, hebben we het genoegen gehad om Titus te mogen ontmoeten in zijn woonst in Gent. Die deelt hij met twee bevriende kunstenaars.

Berchem, 31 mei 2015.

De Lupercalia van dit jaar eindigde in mineur voor de vierende mensen. Moeder Aarde besliste tijdens de periode van de krimpende maan om daad bij woord te voegen. De maan stond in haar laatste kwartier, de sikkel deed haar werk. De ochtend na het feest dat ter zijner ere werd gevierd, gaven de mensen Faunus terug aan Haar schoot, zijn oorspronkelijke thuis.

Februus ontving de natuurgod met open armen in het ondergrondse; zijn schimmenrijk. Faunus zou vruchtbaarheid moeten brengen aan de aarde, maar ook aan de maand die historisch de laatste van het jaar zou worden. Het werd tijd om februari met enkele dagen meer te verrijken.

De wieg die voor de halfgod werd opengespit, als een wonde in de Aarde, moest hem in verbintenis met haar brengen. De huls omhelsde hem, liefelijk maar ook dwingend, en verzocht het lichaam van de faun om zijn nu doorzichtige aders met die van haar, eeuwig kloppend, te verstrengelen.

Maar loslaten was moeilijk. Faunus, half dier zijnde, lééfde voorheen namelijk ook echt in en voor Moeder Natuur, dagelijks verlicht door de zon. Hij was verweven met anderen, hij bestond. De gedwongen ontnerving van de werkelijkheid, opdat hij als goddelijke meststof kon dienen voor Haar schaduwkant, stemde zijn dierlijk-menselijke aard vertoornd.

Gedurende heel zijn leven was Faunus’ aandacht namelijk gericht op ‘s Moeders bovengrondse, zoals het hem gebood. Hij ontnam energie aan het ondergrondse, maar gaf haar deze niet terug. Waarom zou hij dit na zijn dood wel moeten doen? De uitwisseling van energie met zijn moederschoot, die iedereen kalmte schonk, was nooit aan hem besteed.

Rusteloos beschermde de halfgod tijdens zijn leven dagdagelijks de fauna en flora. Hij was zich bewust van het organische verband, van alle patronen en verbindingen die het groen in zich droeg. Hij kende de schubben van iedere vis, de nerven van ieder blad, de veren van iedere vogel. En als de natuur een verlies kende, was hij het die nieuwe organismes liet groeien, hij entte en reproduceerde.

Maar als een rivier die uitmondt in de zee, onontkoombaar voortgestuwd door de stroom, is hij dus nu ook overgegeven aan zijn moeder. Het verhaal van zijn leven ligt als perkament opgerold in haar buik. Laten we hopen dat zijn woorden niet eeuwig in dispuut zullen zijn met de Aarde, maar dat er harmonie moge heersen en dat Haar licht en schaduw in hem elkaar de hand zullen kunnen reiken.

Berchem, 25 mei 2015.

De geur van jouw onuitgesproken woorden sijpelt langs de glazen bol die ieder onzes sinds jouw val wenst te bezitten. Men wil kunnen kijken in het grote Nergens en Nooit omdat er wordt beweerd dat ze een helende mantel is —de Tijd, maar met het vloeien ervan blijft onze smart hangen als mist op onze haren.

Gekliefd door de levensbijl die jij wenste neer te leggen, bevinden wij ons in een staat van verstening. De wind roert onze lokken niet langer en gevoelens staan stil als water.
Moge er, als waren we Niobe, een rivier uit de tranen van onze ogen ontspruiten. Moge deze de natuur van de Lethe bezitten en onze tranen op jouw tong aldus het aardse leven aan je geest kunnen doen onttrekken alvorens je ten hemel stijgt.

Want het zou een verloochenis van jouw dood zijn als we je een nieuw leven zouden wensen in te blazen. Je hebt de keus gemaakt je vleugels uit te spannen en het zwarte zand onder je voeten in te ruilen voor witte wolken. Onze benen doen pijn van het niet naar je toe te kunnen komen, maar het is een troost dat we tijdens het dromen onze armen steeds zullen kunnen blijven reiken naar jouw verlichte gestalte.

We hadden jouw tranen willen kunnen opslikken en zo de krop uit jouw keel willen doen verdwijnen, maar wensen achteraf zijn zinloos.

Hoewel ennui ten opzichte van het leven ons nu vaak dreigt te beklemmen, willen we beloven dat we de zinloosheid niet zullen omarmen. Jij droeg de levensadem van de aarde in je en die vaagt als een allesverwoestende storm de fundamenten van onze Onverschilligheid weg —de ergste van de zeven hoofdzonden, omdat deze zondigt tegen het leven.


Vole, vole petite aile
Va t’en loin, va t’en sereine
Qu’ici rien ne te retienne 

Rejoins le ciel et l’éther
Laisse-nous laisse la terre

Quitte ta peau de misère
Va retrouver la lumière 

Va rejoindre l’autre rive
Celle des fleurs et des rires

Jef. Berchem, 18 februari 2015.

Bij Jef kwam ik graag thuis.

Al van in het begin wisten we perfect wat we aan elkaar zouden hebben. Een natuurlijk aanvoelen.

Allebei altijd de juiste woorden zoekend, wikkend en wegend, —want zo zijn we dan— vonden we samen een manier van converseren die oprecht was. Een instemmende blik naderhand sprak meer dan boekdelen. Was altijd een bevestiging van iets meers dat hij in zich droeg — de ware, pure natuur. Ik was me zo steeds bewust van de onuitgesproken woordenstroom die zijn hemelsblauwe ogen in zich droegen.

Bij het wisselen van de jaargetijden, wanneer het buiten donkerder werd, werd het dat ook binnenin hem.
De manier waarop licht en duisternis zich onder zijn huid bewogen, was een storm geworden.
Maar wij zagen de bliksem niet (we mochten niet), we hoorden enkel de echo’s.

Er waren, godzijdank, ook zonnigere uren, die hem deden warmlopen, waarop hij genoot van de kleine geneugten van het leven, van de harmonie.

Op die momenten bracht Jef je terug naar het kloppende hart van de aarde, naar de oorsprong, naar onze ware thuis.

Vanuit het hart,
alsook vrij naar meerdere grote schrijvers,

Britt

Joost Zwagerman – Kennis is geluk. Nieuwe omzwervingen in de kunst

Kennis is gelukSinds geruime tijd verdiep ik me in de kunstwereld. Ter ondersteuning en begrip van bepaalde kunstvormen vind ik de taal een belangrijk hulpmiddel, Fernando Pessoa volgend in de volgende stelling:

In het proza komen alle kunstvormen samen – deels omdat in het woord de hele wereld besloten ligt, deels omdat in het vrije woord de mogelijkheid besloten ligt om die wereld uit te drukken en te denken. In het proza geven wij alles omgezet weer: kleur en vorm, die de schilderkunst alleen maar rechtstreeks, in kleur en vorm zelf, zonder innerlijke dimensie kan weergeven (Boek der rusteloosheid).

Met de wil om bepaalde kunstvormen een innerlijke dimensie aan te meten, steunend en voortbouwend op de basisstelling dat ik het doel van deze vormen zou kunnen begrijpen door middel van literatuur, besloot ik om me op literaire leesstof van kunstkenners te beroepen. Kennis is geluk van Joost Zwagerman was het allereerste essayistische werk dat ik las dat over kunst handelt.

In het boek raakt Zwagerman verschillende onderwerpen aan, meestal gebaseerd op een kunstwerk dat hem is bijgebleven. Af en toe vergelijkt hij hedendaagse schilderijen met de klassieken, wat de lezer een boeiend nieuw perspectief biedt. Daarenboven is de auteur erg goed thuis in de levenswandel en interesses van schrijvers en de algemene actualiteit. Dit doet de waarachtigheid van zijn besprekingen absoluut ten goede. Over het algemeen omvat het boek een veelzijdige greep aan besprekingen van kunstenaars en kunstwerken: hoewel Zwagerman zijn persoonlijke voorkeur aangeeft, drukt hij deze niet door en bespreekt hij zowel contemporaine als vroegere artiesten en zowel figuratieve als abstracte werken. Naast schilderkunst kent de auteur ook wat van fotografie en literatuur; ook de uiteenzettingen hieromtrent vond ik erg interessant.

Voor mij was Kennis is geluk een aangename kennismaking met de essayistische kunst- en cultuurkritiek. In zekere mate vond ik het boek, wat zijn genre betreft, prettiger lezen dan een roman. Een roman voegt op een indirectere manier waarde toe aan het leven, terwijl een essayistisch werk meer to the point en meer beschouwend is en de essentie van het kunstwerk meer bereikt, zoals Pessoa al stelde. Op deze manier heb ik heel wat bijgeleerd van Zwagermans boek. Wat mij bijvoorbeeld is bijgebleven, is het verhaal dat Zwagerman over Gerhard Richter vertelt:

Toen een Duitse journaliste op een persconferentie in 2008 in Keulen aan Gerhard Richter vroeg welke schilderijen uit zijn oeuvre hem het dierbaarst waren en welke hij het meest geslaagd vond, gaf de kunstenaar niet direct antwoord. Hij zocht naar woorden. Uiteindelijk kwam er een aarzelende repliek. Geen schilderij van hem, hoe lang geleden ook gemaakt, is elke dag hetzelfde. Een ouder werk […] verandert doordat hij in zijn atelier een nieuw werk aan het oeuvre toevoegt, maar ook doordat door de tijd zelf zijn kunst van vroeger aan verandering onderhevig is. Jijzelf verandert, en wat je hebt gemaakt verandert met je mee, doordat de tijd vat heeft zowel op maker als op het gemaakte (p. 17).

Deze anekdote bevestigt voor mij eens te meer hoe sterk iemands kunstwerken en zijn persoonlijkheid met elkaar verweven zijn. Zowel een mens’ persoonlijkheid als zijn kunstwerken zijn aan verandering onderhevig. Men kan het, deze quote indachtig, een Picasso of een Duchamp niet verwijten van techniek, concept, stijl (en zelfs soms) kunstvorm te zijn veranderd.

Naast de vorige passage waren er zeker nog stukken die ik nooit zal vergeten en op tijd en stond zal gebruiken om een argument te staven. Joost Zwagerman heeft op die manier gelijk wanneer hij stelt dat kennis geluk in de hand werkt: hoe meer je weet over (in dit geval) kunst, hoe meer je ervan kunt genieten en erover kunt keuvelen…

Hermann Hesse – Kuren

KurenIn dit boek verhaalt Hermann Hesse over zijn drie weken durende verblijf in het kuuroord te Baden. De kuren en bewegingsoefeningen die hij daar volgde en deed, werden hem aangeraden ten gevolge van de jicht en ischias waaronder hij leed.

Aan het begin van het boek is Hesse erg hoopvol en positief. Zichzelf vergelijkend met andere bezoekers van het kuuroord, ziet en merkt hij dat hij qua fysiek bij de meest kwieke patiënten is. Hesse zou Hesse echter niet zijn als hij doorheen zijn verblijf, naast die eerste piek, geen dalen zou hebben gekend. Al van in het begin stoort hij zich enorm aan zijn Nederlandse buur in het hotel die samen met zijn vrouw dag en nacht doorbrengt op zijn kamer, mensen ontmoet en erg lawaaiig is. Wat interessant is, is dat Hesse de irritatie die hij koestert ten opzichte van “de Hollander” kan overwinnen. Door zich op een bepaald moment, tijdens een nacht, enorm bewust te maken van de man, zich de mans (fictieve) levenswandel voor te stellen en de reden waarom hij in het kuuroord aanwezig is, kan Hesse van deze vijand zijn vriend maken. De ochtend volgend op deze mentale inspanning van Hesse vertrekt de Nederlander, ironisch genoeg.

Na het vertrek van de Nederlander, die een externe bron van ergernis creëerde die hij kon overwinnen, krijgt Hesse te kampen met interne, innerlijke problemen en verhinderingen. Gedurende 8 dagen is Hesse fysiek een wrak. Hoewel zijn dokter hem ervan overtuigt dat dit normaal is, dat het baden vermoeiend is en dat deze periode snel genoeg ook weer zal verdwijnen, is Hesse erg neerslachtig. Hij geeft zich zelfs over aan verleidingen en handelingen waaraan hij normaal gezien nooit belang hecht. Hij vreet, hij gokt, hij voert nutteloze gesprekken en hij luistert naar muziek die hem in se ergert.

Plots, tijdens het eten, bekruipt Hesse een gevoel, een inzicht:

Een ogenblik lang zag ik in het beeld dat de zaal opleverde, vol zieke, lusteloze, verwende en trage mensen (waarbij ik ervan uitging dat het er in de zielen der anderen ongeveer zo uitzag als in de mijne), heel ons geciviliseerde leven weerspiegeld, een leven zonder krachtige impuls, dat dwangmatig voortrolde over vaste sporen, lusteloos, zonder verbinding met God en met de wolken aan de hemel. Ik dacht […] aan de gewoontes waarin onze mensheid gevangen zit, en betekenis en waarde daarvan leek mij vergelijkbaar met het verveelde spel van mijn luie hand met de visvork, met het onbevredigende heen en weer gaan van mijn liefdeloze blikken door de zaal. Maar alles bij elkaar, eetzaal en wereld, kuurpatiënten en mensheid, kwam mij één ogenblik lang helemaal niet ontzettend tragisch voor, maar enkel ongelooflijk belachelijk. Je hoefde immers maar te lachen, en de ban was verbroken, het mechanisme ontwricht, God en de vogels en de wolken zweefden door onze doodse zaal, en wij waren niet langer trieste gasten aan de kuurtafel, maar vergenoegde gasten Gods aan de bonte wereld tafel.

Zowel het inzicht dat Hesse krijgt in de belachelijke, onnatuurlijke, geconstrueerde, burgerlijke situatie waarin hij zich in het kuuroord bevindt – waardoor hij zijn situatie kan relativeren en zich beter kan voelen – als zijn vermogen om “de Hollander” van een kwelgeest tot een objectieve persoon om te vormen, getuigen van een grote innerlijke wijsheid.

Daarenboven is Kuren een boek dat in zijn geheel een enorme intelligentie aan de dag legt. Ieder boek van Hesse is een grote meerwaarde, verschaft mij meer inzicht in (een deel van) het leven.

Philippe Claudel – Geuren

GeurenGeuren is een boek dat een grote indruk op me heeft nagelaten. Philippe Claudel is als schrijver een meester in het verwoorden van zintuiglijke ervaringen. Waar de modale mens zintuigen als banale instrumenten beschouwt en gebruikt, daar beschrijft en bewijst Claudel dat deze “werktuigen van de zin” veel meer zijn dan hulpmiddelen alleen. In het bijzonder bespreekt de auteur van Geuren de reukzin.

Voor de zintuiglijke mens is het boek een grote herkenningshaven, een plek waar hij zich thuis zal voelen in de bespreking van de geuren die Claudel en hijzelf tijdens hun leven al in zich hebben opgenomen en eigen hebben gemaakt.

De kunst is om al deze geuren specifieke eigenschappen te kunnen toeschrijven… Deze vaardigheid beheerst Philippe Claudel perfect. Keer op keer kiest hij er de juiste woorden uit om de verschillende aroma’s die hij wil vastleggen te karakteriseren.

Wat ik daarenboven erg interessant vond, is dat Claudel geuren een zeker kenmerk van tijdloosheid aanmeet, waardoor het verleden, het heden en de toekomst in elkaar kunnen overvloeien, met elkaar vervlochten kunnen worden. Hierin kan ik de schrijver volledig volgen. De zintuigen zijn fysieke elementen die het dichtst staan bij de manier waarop mensen dingen ervaren. In zekere zin verbinden ze dus de fysieke en mentale gewaarwordingsniveaus van de mens. Wanneer deze niveaus worden afgevlakt en abstract worden gemaakt, zijn ze bijgevolg dynamisch en inwisselbaar: op elk tijdstip is het mogelijk om zich door middel van een fysieke gewaarwording een mentale waarneming voor te stellen. Zintuigen kunnen de tijden met elkaar doen versmelten…

Ook denk ik dat de rivieren en beekjes uit mijn geboortestreek me, als ik er al een tijd weg ben, door middel van plotselinge geurflarden die opstijgen uit een stroom, heel onopvallend berichten van thuis kunnen brengen — iets wat ik al vaak heb kunnen constateren. Dat zijn verwarrende seconden, waarin de geografie van het heden versmelt met die van mijn herinnering, waarin ik geen leeftijd meer heb, waarin ik een speelbal ben van die gewaarwording die me tegelijkertijd verdrietig maakt omdat ik niet op mijn geboorteplek ben en blij dat ik op duizend mijl afstand flarden kan oppikken van zijn geur, zodat ik de stukken van mijn vroegere leven aan elkaar kan lijmen als een geduldige archeoloog zijn potscherven (p. 144-145).

De mens in de dichter (naar aanleiding van het symposium omtrent “De plicht van de dichter”)

De plicht van de dichterAls literatuurstudent leek het voor mij altijd een evidentie om de dichter op een piëdestal te zetten. Niemand bereikt namelijk meer de essentie van het leven dan een poëet. Ik haal hieromtrent graag volgende woorden aan van Georges Bataille uit zijn boek Erotism: Death and Sensuality:

Poetry leads to the same place as all forms of eroticism – to the blending and fusion of separate objects. It leads us to death, and through death to continuity. Poetry is eternity; the sun matched with the sea.

Voor mij vatte dit citaat alles samen. Woorden kunnen voor verheffing zorgen, de tijd doen stopzetten en ons een blik doen werpen op de eeuwigheid. Om het met de woorden van Arthur Rimbaud te zeggen: de dichter is een ziener die de magie in een gebeurtenis, een mens, een landschap kan vatten en kan herleiden tot iets wat bereikbaar is voor iedereen. De literatuurgeschiedenis heeft ons echter ook geleerd dat de maker van een werk en zijn werk niet per se een geheel hoeven te vormen; achter een verrukkelijk gedicht gaat niet steeds een verrukkelijk mens schuil. Een romantische ziel zou dit gegeven aanvoelen als een koude reality check. Zelf heb ik ook vaak de neiging om, bij het lezen van een goede tekst, niets over de schrijver als persoon op te zoeken. Ik moest maar eens teleurgesteld worden door zijn (politieke, sociale of persoonlijke) achtergrond…

Van de persoon Hugo Claus had ik al vaker gehoord, zij het sporadisch tijdens colleges of op het nieuws, naar aanleiding van zijn zelfgekozen dood. Uiteraard kende ik Het verdriet van België, maar gelezen had ik het nog niet. Tijdens een vak over de Nederlandse poëzie, gedoceerd door professor Wildemeersch, kon ik een glimp opvangen van Claus’ minder expliciet autobiografisch werk: zijn gedichten. Het symposium De plicht van de dichter zou me dus pas voor de eerste keer laten kennismaken met de mens die Hugo Claus echt was. Ik zag ertegenop om de aardse man achter de goddelijke zinnelijke verzen uit De Oostakkerse gedichten te leren kennen.

Het symposium over Hugo Claus heeft bij mij geen koude reality check teweeggebracht, gelukkig maar. Integendeel, het heeft me geholpen om de begrippen “mens” en “dichter” dichter bij elkaar te kunnen doen brengen. Het heeft me doen beseffen dat een romantische kijk op de poëet niet per se een ideaal beeld opwerpt. Het is absoluut niet nodig om de dichter op een piëdestal te zetten; ook hij is maar een mens. Ook Hugo Claus woonde in een huisje met een kruisje, heeft eens een pint te veel gedronken en kende meerdere liefdes. Wanneer ik Odo Claus hoor praten over zijn broer en wanneer ik Het verdriet van België lees word ik des te meer getroffen door dat aardse in Claus. Het schrikt me echter niet meer af. Ik kan zelfs zeggen dat ik er bij Claus erg van hou. Ik besef ook dat het misschien ook wel bewust Claus’ wil zou zijn geweest om dicht bij de gewone mens te blijven, met de voetjes op de grond: enkel zo kan je indruk nalaten.

Onlangs, toevallig (of niet toevallig) een paar avonden voor de dag van het symposium, bekeek ik De waanzin van het detail, een documentaire over Sam Dillemans. Samen met Hugo Claus, waarvan ik een vrij gedetailleerd beeld heb gekregen tijdens het symposium en tijdens de documentaire Dichter, minnaar, rebel op Canvas, heeft deze Belgische schilder me doen realiseren dat een kunstenaar niet per se goddelijk-geniaal hoeft te zijn om iets te kunnen creëren. Oefening baart kunst. Zelfs Marcel Proust heeft als het ware een heel voltooiingsproces moeten doorlopen voor hij zijn werk kon schrijven: eerst schreef hij pastiches en essays met het oog op het creëren van een eigen stijl. Uiteraard is een zekere intelligentie vereist; enkel door het lezen en bij uitstek het begrijpen van (enorm veel) literatuur bestaat er een mogelijkheid dat deze verinnerlijkte kennis in de praktijk kan worden omgezet, maar intussen lijkt het me dus te extreem om te denken dat enkel uiterst intelligente mensen in staat zouden zijn om te creëren. Ik geloof in genialiteit en daarbij aansluitend in het feit dat er mensen bestaan die uit zichzelf inspiratie kunnen putten om een kunstwerk te maken. Sinds ik Hugo Claus (en Sam Dillemans) beter heb leren kennen, ben ik er echter van overtuigd dat ook een iets grotere aardsheid tot goddelijkheid kan leiden. Er is nog hoop voor de gemiddeld intelligente mens die ik ben.